Herdenking einde Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië
Op zaterdag 15 augustus hield burgemeester Mark Röell een toespraak tijdens de herdenking voor het einde van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië.
Toespraak
Dames en heren, jongens en meisjes,
Fijn dat u hier vandaag aanwezig bent. Samen staan we stil bij het officiële einde van de Tweede Wereldoorlog voor het Koninkrijk der Nederlanden. Op deze datum, 81 jaar geleden, eindigde de Japanse bezetting in Nederlands-Indië. Een lange periode van onderdrukking, dwangarbeid, honger en geweld, voor veel mensen met de dood tot gevolg. We herdenken hen, hier bij ons monument met de Melati, die symbool staat voor respect, betrokkenheid en medemenselijkheid.
Ook herdenken we de geallieerde militairen die als krijgsgevangenen werden opgesloten in Japanse kampen, dwangarbeid moesten verrichten en in groten getale omkwamen. We denken óók aan de gewelddadige jaren die volgden op het einde van deze oorlog.
Want voor veel mensen was het einde van de Japanse bezetting allerminst het begin van vrede. Ze waren bevrijd, maar niet vrij. De eerste, uiterst gewelddadige periode van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, de Bersiap, bracht opnieuw extreem geweld, vervolging en onzekerheid. Voor honderdduizenden Indische Nederlanders én Indonesische burgers.
Voor veel Indische Nederlanders en Molukkers betekende deze periode ook een gedwongen vertrek uit het land waar zij waren geboren. Zij verloren hun veilige thuis en hun bezittingen. Families werden uit elkaar gerukt.
In Nederland probeerden zij een nieuw bestaan op te bouwen, maar ze voelden zich aan hun lot overgelaten. Voor sommigen spelen nog steeds pijnlijke vragen: Waar hoor ik thuis? Wat is mijn geschiedenis? En waarom kent bijna niemand dit verhaal?
Voor veel van deze families is dit een dag van herinnering, verdriet én verbondenheid.
De gevolgen van de oorlog in Nederlands-Indië, en ook van de gewelddadige jaren daarna, zijn nog altijd voelbaar. In gezinnen, in persoonlijke herinneringen en in levens die voorgoed waren veranderd. Gezinnen zijn in de oorlogsperiode uit elkaar getrokken en velen hebben elkaar niet meer teruggezien.
Vaak vindt de oudere generatie het moeilijk om daarover te vertellen. Omdat de herinneringen te pijnlijk zijn. Of omdat ze hun kinderen willen beschermen. Kinderen en kleinkinderen groeiden op met een gevoel dat er ‘iets’ speelde bij hun ouder of grootouder, zonder precies te weten wat. Misschien werd hun zwijgen ook gevoed door het gevoel dat niemand echt begrijpt wat zij hebben doorgemaakt. Of doordat we als samenleving er lange tijd te weinig aandacht voor hebben gehad.
Het is daarom mooi en belangrijk dat vanavond ook deze jongere generatie haar verhaal vertelt, in de persoon van Lisette de Weijer.
Deze beladen oorlogsgeschiedenis van Nederlands-Indië is voor veel Nederlanders minder bekend dan die van Europa. De situatie was ingewikkeld en kent meerdere perspectieven. Bovendien vonden de gebeurtenissen plaats op grote afstand, ver weg in Nederlands-Indië.
Tegelijkertijd wordt ook de afstand in tijd steeds groter.
Dat kan het lastig maken om ons te verbinden met deze belangrijke historische gebeurtenis. En om te begrijpen wat zich toen allemaal heeft afgespeeld.
Het thema van de herdenkingen dit jaar is ‘de geschiedenis begrijpen’. Yvette Posthumus stelde zojuist de indringende vraag hoe je wreedheden kunt begrijpen die niet te begrijpen zíjn. Misschien is dat ook niet waar begrijpen begint. De daden kunnen we nooit verklaren. Maar de mensen die het overkwam, hun verhalen, kunnen we wél leren kennen.
Begrip hebben gaat niet per se over goed of fout. Het begint met vragen stellen. En vooral luisteren. Naar de heftige verhalen uit die tijd. Van de mensen die de oorlog hebben meegemaakt, of van hun kinderen en kleinkinderen. Luisteren, om begrip op te brengen. Voor wat zij hebben meegemaakt en nog steeds doormaken. Voor de keuzes die zij toen moesten maken en de gevolgen die dat tot op de dag van vandaag heeft.
Achter de onbevattelijke aantallen slachtoffers die vanavond zijn genoemd, gaan mensen schuil. Dat besefte ik 2 jaar geleden eens te meer, toen ik met mijn gezin het Nederlandse ereveld Pandu in Bandung bezocht. Het bezoek heeft diepe indruk op ons gemaakt. Zo’n 4.000 graven, rij na rij. Militairen van het KNIL en van de Koninklijke Landmacht, maar ook burgers, onder wie vrouwen en kinderen, die omkwamen in de interneringskampen rond Bandung en tijdens de Bersiap. Jong en oud, van heel verschillende achtergronden.
Achter elk van die duizenden grafstenen staat een naam. En achter elke naam een familie, waarin dat verlies tot op de dag van vandaag doorwerkt. Wie daar staat, beseft pas echt hoe groot het leed is geweest. En hoe dichtbij het nog altijd is.
Hoe dicht bij zo’n ereveld kan komen, ondervond ook een Baarns echtpaar dat Pandu jaren geleden bezocht. Tussen de duizenden kruisen herkenden zij opeens een familienaam: een jonge KNIL-militair, 23 jaar oud, van wiens bestaan zij niet wisten. Dat ene graf werd het begin van een zoektocht die hun familie weer met elkaar verbond. Zo werkt het: 1 naam, 1 verhaal. En de geschiedenis is ineens niet ver weg meer, maar van ons.
Want geschiedenis leeft niet in boeken. Geschiedenis leeft vooral in families. In herinneringen die van generatie op generatie zijn overgedragen. In verhalen, en soms ook in stilzwijgen. Misschien ook wel in of rond onze eigen familie.
Als we onze geschiedenis kennen, zien we beter hoe kwetsbaar vrijheid is. Vrede is niet vanzelfsprekend. Vrede vraagt om begrip, rechtvaardigheid en respect voor elkaar. Daar is nieuwsgierigheid naar elkaar voor nodig. Het stellen van vragen. En de bereidheid om verschillende perspectieven te begrijpen.
Zolang wij luisteren naar de verhalen, blijven de mensen uit die verhalen in ons gezamenlijke geheugen. Laten we blijven begrijpen waar we vandaan komen. Dan kunnen we bewuster kiezen hoe we met elkaar willen samenleven, in vrede en in vrijheid.
